|
HET TEMPO ONTLEED
Alle bewegingen gehoorzamen aan elementaire natuurkundige
wetten. Ook de dynamiek van de tempo's die bij akrobatiek
worden gemaakt, is uiteen te rafelen in krachten, snelheden
en energieën. Bij veel akrobatische trucs wordt een tempo gegeven. Hierbij zetten de akrobatiekpartners samen een versnelling in van - meestal - de bovenpersoon, hierna Truus (50 kg) genoemd. Door de versnelling komt Truus van de ene positie in de andere.
In het voorbeeld van de gegeven figuur, een 'Tempo worp voorlangs naar staan in handen hoog', springt Truus omhoog
(1-3) en wordt ze door de onderpersoon - hierna Ed genoemd
en te herkennen aan het driehoekige bovenlijf - via
hand-hand-contact omhoog gestuwd (3-5). Eenmaal hoog genoeg en met voldoende snelheid komt Truus los van Ed (5), trekt
ze de benen wat in en wordt ze onder de voeten opgevangen
door Ed, waarna ze zich tot rechtop staan uitstrekt (6).
b
c
d
e
Antwoorden op de vragen
Ed versnelt Truus over een traject van 1 m met een constante
kracht FEd,1 vanaf het einde van Truus haar
sprong. Hiermee genereert hij een constante versnelling van
Truus van aEd,1. Aan het einde van het traject
van 1 m heeft Truus een snelheid v0,Ed,1. Met deze
beginsnelheid moet Truus nog 0,4 m omhoog komen en dan
stilvallen. Tijdens dit laatste traject (de zweeffase) werkt
alleen de zwaartekracht (500 N) op Truus, wat een constante
negatieve versnelling van -g = -10 m/s2
veroorzaakt. We moeten nu terugrekenen vanaf het moment dat
Truus op haar hoogste punt is stilgevallen. Gebruik makend
van de formule voor de snelheid bij constante versnelling,
v - v0 =a*t, krijgen we: 0 - v0,Ed,1
= - 10*t -> v0,Ed,1 = 10*t. We dienen nu de tijd
t te bepalen waarin de 0,4 m afgelegd worden. Met de formule
voor de afgelegde weg, x -x0= v0 * t
+ 1/2 a*t2, vinden we: 0,4 =v0,Ed,1*t
- 5*t2, 0,4 = 10*t2 - 5*t2,
t2 = 0,08 -> t = 0,283 s.
Hierna volgt dat v0,Ed,1 = 10*t = 2,83 m/s. Dit
is de snelheid aan het einde van de stuwende beweging van Ed
(van 1 m), op het moment, dat Truus los komt van Ed.
We rekenen nu verder terug om de kracht FEd,1 te
berekenen, waarmee Ed Truus over een traject van 1 m omhoog
stuwt. Aan het begin van dit traject was de snelheid van
Truus 0 m/s (aan het einde van haar sprong). Aan het einde
van dit traject is haar snelheid 2,83 m/s. Ed genereerde een
constante kracht, dus een constante versnelling. Met de
formule voor de snelheid, v - v0 = a*t, vinden we
weer: 2,83 - 0 = aEd,1*t -> aEd,1
= 2,83/t m/s2. Met de formule voor de afgelegde
weg, x - x0 = v0*t + 1/2 a*t2,
kunnen we de tijd voor het eerste traject (van 1 m) bepalen.
We krijgen: 1 = 0*t + 1/2 aEd,1 * t2
-> 1 = 0,5 * 2,83 * t -> t = 0,708 s.
Voor de versnelling gedurende het eerste traject van 1 m
volgt nu: aEd,1 = 2,83/0,708 = 4,0 m/s2.
Uit de 2de wet van Newton volgt nu: Ftotaal =
FEd,1 - Fz = mTruus *
aEd,1 -> FEd,1 = 500 + 50*4,0 = 700 N.
We gaan weer terugrekenen en beginnen met het laatste stuk
van de beweging, de zweeffase. Hiervoor geldt precies
dezelfde situatie als in opgave b. De snelheid aan het einde
van de stuwende beweging (dus het begin van de zweeffase),
v0,Ed,2, moet derhalve gelijk zijn aan
v0,Ed,1, dus v0,Ed,2 = 2,83 m/s.
Voor de versnelling van het eerste traject van 1,2 m volgt
nu: aEd,2 = 0,83/0,5 = 1,67 m/s2. Uit
de 2de wet van Newton volgt nu: Ftotaal =
FEd,2 - Fz = mTruus *
aEd,2 -> FEd,2 = 500 + 50 * 1,67 = 583 N.
Vergelijk deze waarde met de 700 N van opgave b.
In geval c is de kinetische energie van Truus aan het begin
van de actie van Ed gelijk aan 1/2 mTruus *
v2. De snelheid v is hier gelijk aan de snelheid
van Truus op het moment van loskomen van de grond (zie
onderdeel a). Aan het einde van de worp is de Ek
van Truus gelijk aan 0. Het verschil aan Ek is:
#Ek = Ek,na - Ek,voor =
0 - 1/2 * 50 * 22 = -100 Nm.
In beide gevallen levert Ed 700 J aan energie aan Truus.
Logisch, want Truus komt in beide gevallen even hoog en heeft
even hard gesprongen. Het vermogen dat Ed moet leveren, is
echter in geval b kleiner dan in geval c. Hij smeert zijn
energie nu uit over een langere tijd en hoeft dus minder
kracht en vermogen te leveren. Hij heeft sowieso baat bij de
sprong van Truus. Als ze helemaal niet had gesprongen, had
Ed nog eens echt moeten werken. Gebruikmakend van de sprong
zoals in b spaart Ed zijn energie. Echter, gebruikmakend van
de sprong zoals in c spaart Ed zijn energie en kracht(vermogen).
Truus is natuurlijk geen echt star lichaam. Door verschuiving
van haar massamiddelpunt gaat energie verloren (elke
versnelling van massa kost energie). Naarmate Truus dus
minder star is, wordt het voor Ed zwaarder (het
aardappelzak-effect). Door beweging van haar ledematen
dissipeert zij energie. Doordat zij niet perfect naar boven
beweegt, maar ook voor-achterbewegingen maakt, kan het Ed veel
kracht kosten om 'onder' haar te blijven.
De kracht die een onderpersoon levert in zo'n truc als hier
beschreven, varieert nogal eens en is meestal het grootst aan
het begin van de beweging.
Al met al werken we hier met een serieuze simplificatie, die
echter toch nog een beeld schetst van de krachten die nodig
zijn om iemand omhoog te stuwen en te gooien. Dit illustreert
het voordeel van het gebruik van tempo's in de akrobatiek,
in de zin dat Ed bij een 'goed' tempo (onderdeel c) veel
minder kracht moet generen dan bij een 'slecht' tempo. Gerard Houben |